|
Op
15 jarige leeftijd trad hij in het leger en diende onder keizer
Constantius en keizer Julianus. Als soldaat in het Romeinse
legioen kwam hij naar Gallië, het huidige Frankrijk.
Bij
de stadspoorten van Amiens ontmoette hij eens een naakte bedelaar,
die hem om Christus' wil een aalmoes vroeg. Martinus
had geen geld, maar pakte zijn zwaard, sneed zijn mantel doormidden
en gaf de helft aan de bedelaar.
In die tijd behoorde een helft van de kleding aan de keizer
en de andere helft was persoonlijk bezit.
In
een droom verscheen later Christus hem met de helft van zijn
mantel om zich heen geslagen: "Wat je voor de geringste
van mijn broeders hebt gedaan, dat heb je aan Mij gedaan".
Dit gaf voor hem de doorslag om Christen te worden en zich
te laten dopen.
Op
18 jarige leeftijd werd Martinus gedoopt door de heilige Hilarius
van Poitiers. Al snel nam hij ontslag uit het leger. Maar
toen hij zijn ouders in Lombardije wilde opzoeken, ontstonden
er problemen tussen hem en de Arianen, ketters die daar veel
aanhang hadden. Martinus
hield vast aan zijn geloof en werd slecht behandeld op last
van de Ariaanse bisschop van Milaan. Hij hield zich daarna
schuil als kluizenaar op het eiland Gallinaria (nu Isola d'Albenga)
voor de Italiaanse Rivièra, omdat ook de H. Hilarius
op aandrang van de Arianen verbannen was uit Frankrijk.
In
361 kon hij terugkeren naar Frankrijk en voegde zich bij de
H. Hilarius. Ook daar werd hij een kluizenaar, wonend in een
afgelegen gebied, en hij wijdde zijn hele leven aan God. Dit
voorbeeld werd gevolgd door vele monniken, later ontstond
hier het Benediktijnerklooster van Ligugé.
Toen
St. Lidorius de bisschop van Tours, een stad in West-Frankrijk,
in 371 of 372 overleed, vroegen de Christenen en priester
van die stad aan Martinus of hij bisschop wilde worden. Deze
wilde eigenlijk gewoon kluizenaar blijven, maar via een list
werd hij naar de stad gelokt, en toen hij eenmaal in Tours
was aangekomen kon hij niet meer afzien van het bisschopsambt.
Als bisschop bleef hij zijn monnikenleven voortzetten en trad
op als een grote geloofsverkondiger. Hij stichtte ook veel
kloosters, waarvan dat van Marmoutier het belangrijkste was
(Marmoutier, afkomstig van Maius Monasterium, betekent zeer
groot klooster). Hij vernietigde de heidense heiligdommen
en preekte onophoudelijk tegen de ketterijen van die dagen.
Hij werd al tijdens zijn leven als heilig beschouwd en veel
wonderen werden aan hem toegeschreven. Tijdens een missiereis
sterft hij op 8 november 397, 81 jaar oud, in Candes. In triomf
werd zijn lijk naar Tours overgebracht en op 11 november bijgezet,
zijn latere feestdag. Ook rond zijn graf gebeurden vele wonderen
en een eeuw later roept koning Clovis hem uit tot patroonheilige
van het Frankische volk.
Op zijn feestdag gaan de kinderen nog steeds gewapend met
lampionnen al zingend langs de deuren om snoep op te halen.
Vroeger werd er gezongen voor de deuren van welgestelde burgers
om brandstof voor de winter te vergaren.
Omdat
St. Martinus de patroonheilige van onze kerk is maar ook van
ons kerkkoor, het St. Martinuskoor, vieren we in onze parochie
de dichtstbijzijnde zondag vóór of ná
11 november als een hoogfeest (sollemnitas).
|